(Met bijdragen van Jurgen Lamers, Alkmaar)
| flottielje (de ~; -s) (mil.) 0.1 groep gelijksoortige lichte oorlogsvaartuigen. |
Het Zuiderzee-flottielje (later IJsselmeer-flottielje) bestond uit drie ongepantserde
kanonneerboten, rond 1914 waren dat de "Hefring", "Wodan" en de "Braga". Deze
schepen hadden 34 bemanningsleden en één 12 cm kanon. In laatste
instantie kon steun verleend worden aan de verdediging van Fort
aan het Pampus tegen een ver doorgedrongen vijand. Tevens kon deze kleine
scheepsmacht ook geroepen worden om hulp te verlenen bij een aanval op de Stelling
van Den Helder. De mogelijkheid bestond dat het Zuiderzee-flottielje
bij de verdediging van de Stelling
van Den Helder niet ongehavend was en daardoor zijn eigenlijke taken
niet goed meer kon uitvoeren.
In het geval het Zuiderzee-flottielje en de defensiesloepen niet aanwezig waren,
kon de Commandant van de Stelling in hun vervanging voorzien door het inzetten
van motorboten. Daarnaast kon een beroep gedaan worden op de kanonneerboten
"Njord" en "Tyr" (beide met één 15 cm. kanon). Verder konden er
in Willemsoord vier schepen worden uitgerust met één 7,5 cm. kanon.
De thuishaven van het flottielje was Den Helder maar de 's
Rijks Werf in Amsterdam (later het Marine-etablissement) zorgde ook voor
de bevoorrading van steenkool, voeding e.d. Gewonden en gesneuvelden zouden
ook naar Amsterdam afgevoerd worden o.a. met een gevorderd hospitaalschip. Rond
1932 was de commandant van het toenmalige IJsselmeer-flottielje gevestigd in
Enkhuizen.
Bij de Stelling
van Den Helder begon de taak van de Koninklijke
Marine al om vijandelijke schepen te beletten de Zuiderzee op de varen
om Amsterdam vanaf het IJ te bombarderen of een landing uit te voeren.
De hoofdtaak van het Zuiderzee-flottielje was om vijandelijk troepenvervoer
over de Zuiderzee te voorkomen en de kom van de Zuiderzee te verdedigen.
Daarmee werd de zeezijde van de IJssellinie, Grebbelinie, Nieuwe
Hollandse Waterlinie en Stelling van Amsterdam gedekt.
De achterwielsloepen 56, 63, 71 en 75 moesten steun verlenen bij de bewaking
en de verdediging van de plassen en de Nieuwe
Hollandse Waterlinie. Indien deze verdediging onhoudbaar werd, dan
moesten ze naar Loenen vertrekken om de Stelling van Amsterdam te helpen.
| Kustverdediging Stelling van Amsterdam |
|---|
| Batterij Janhagelhoek |
| Batterij bij Uitdam |
| Kustbatterij bij Durgerdam |
| Kustbatterij bij Diemerdam |
| Westbatterij Muiden |
| Fort bij Muiderberg |
|
| het front van Fort
aan het Pampus, gezien vanaf de Zeedijk ten noorden van de lijn Pampus - Durgerdam. (Foto: René Ros, 1999) |
Of het Zuiderzee-flottielje en de defensiesloepen geschikt waren om een verrassingsaanval en bestorming van Fort aan het Pampus te verijdelen, hing volgens de Chef van de Zeemacht af van velerlei omstandigheden. Geadviseerd werd ervoor te zorgen dat het fort zelf voldoende middelen ter beschikking had.