(Teksten over de aardwerken zijn met toestemming gebaseerd op teksten van J. M. van Doorn, Kudelstaart.)
In dit hoofdstuk komt de vorm van de aardwerken en bomvrije gebouwen aan bod. Door het aanleggen van de aardwerken en het laten inklinken zijn er enkele verschillende varianten op de aanleg van de aardwerken. Bij de bouw van de bomvrije gebouwen is er sprake van drie modellen.
Voor veel forten van de Stelling zijn drie belangrijke stappen in de bouw aan te geven, namelijk:
Echter, forten waarvan de aardwerken zijn aangelegd tijdens de uitvoering van het Kleine Plan zijn direct als verdedigbaar aardwerk aangelegd. Daardoor zijn er drie mogelijke varianten in de volgorde van bouwen te onderscheiden.
In de oorspronkelijke ontwerpen ging men uit van een aardwerk voor een fort
omringd door een gracht en met borstweringen en wallen waarbij naast infanterie
ook mobiel geschut kon worden opgesteld. De geplande gebouwen bestonden uit
een hoofdgebouw en losstaande remise- en frontgebouwtjes. Het Fort
bij Abcoude is uiteindelijk als enige zo uitgevoerd.
Het Fort aan de Drecht was ontworpen
naar hetzelfde model als Fort bij Abcoude. In september 1884 was begonnen met
de aardwerken maar met de bebouwing is gewacht om het geheel eerst goed te laten
inklinken. Aansluitend op de bouw van de bomvrije gebouwen van Fort bij Abcoude
konden deze voor het Fort aan de Drecht gebouwd worden.
Maar tijdens de bouw van Fort bij Abcoude werd de krachtige brisantgranaat ontwikkeld
waarna een bouwstop volgde en een ander model fort werd ontwikkeld. Fort bij
Abcoude werd gelaten voor wat het was maar het aardwerk van Fort aan de Drecht
was al een verdedigbaar aardwerk en werd tijdens het uitvoeren van het
Kleine Plan niet meer aangepast.
Voor nog enkele opvolgende forten, het Fort
bij Uithoorn en het Fort Waver-Amstel,
werd het aardwerk tijdens de aanleg gewijzigd tot een vereenvoudigd verdedigbaar
aardwerk. Voor andere forten waren wel ontwerpen en tekeningen gemaakt maar
deze zijn nooit uitgevoerd. In plaats daarvan werd variant twee toegepast.
De tweede variant betreft de aardwerken die vanaf de bouwstop in 1886 tot aan
het Kleine Plan (vanaf 1894) zijn aangelegd. Bomvrije gebouwen van baksteen
voldeden door de komst van de brisant granaat niet meer en beton werd als oplossing
gezien alhoewel er weinig ervaring met beton was.
Zwaar geschut zou opgesteld gaan worden in pantserkoepels en de bomvrije gebouwen
moesten breed maar ondiep worden. Ondanks dat het ontwerp nog onbekend was werden
de aardwerken naar deze algemene omschrijving aangelegd door het plaatsen van
zware ballastheuvels op de plaats van het toekomstige gebouw zonder dat er rekening
werd gehouden met verdediging.
Later zijn alle forten waarvoor een aardwerk was aangelegd volgens het
Kleine Plan omgevormd tot verdedigbaar aardwerk waarna later in de meeste
gevallen bomvrije gebouwen zijn gebouwd. Van forten die volgens deze variant
zijn gebouwd, zoals het Fort
bij Spijkerboor, zijn zowel de datum van aanleg van het aardwerk als de
omvorming tot verdedigbaar aardwerk en veelal de bouw van de bomvrije gebouwen
van toepassing.
|
| De frontwal van het Fort in de Botshol met restanten van loopgraven. De foto is genomen
vanaf de aarden wal ter plaatste van het geplande hoofdgebouw. (Foto: René Ros, 2003) |
Tijdens het uitvoeren van het Kleine Plan (1894-1897) was er een derde variant, namelijk voor de forten waarvoor in het
geheel nog geen aardwerk was aangelegd. Daarom kon in deze gevallen direct een
verdedigbaar aardwerk aangelegd worden en deze werden ook wel "infanterieposten"
genoemd. Zoals de "Infanteriepost bij Welgelegen" welke na de voltooiing "Fort
aan de Nekkerweg" genoemd zou worden.
Daarom is bij forten die volgens deze variant zijn gebouwd, zoals het Fort
aan de St. Aagtendijk, alleen de aanleg van de verdedigbare aardwerken en
de bouw van de bomvrije gebouwen van toepassing.
Na het inklinken van de aardwerken was het tijd voor het grotere werk: de bomvrije gebouwen. Het basisidee van kleine, ondiepe - en daardoor moeilijker te treffen - forten was afkomstig van de genisten A.J. Voorduin en C.J. Snijders en de artillerist F.G.A. Scherer. Met een sterke infanteriebezetting zouden ze als steunpunten dienen en zelf wel enige pantserkoepels hebben maar de meeste artillerie zou tussen en achter de forten opgesteld zijn.
Geen enkel fort in de Stelling is identiek aan welke andere dan ook. Pas als
je steeds meer details buiten beschouwing laat verschijnen er overeenkomsten.
De omstandigheden, het gebruik van het fort en de kosten bepaalden het feitelijk
ontwerp. Verschillen traden bijvoorbeeld op in het aantal verdiepingen, aantal
keelkazematten, plaats hefkoepelgeschut etcetera. Er zijn achteraf drie modellen
te onderscheiden.
De eerste bouwperiode was van 1897 tot en met 1906 toen de politiek vanwege
vestingbegrotings-perikelen in 1905 een rustperiode in de bouw veroorzaakte.
Pas in 1908 kwam er weer geld beschikbaar en was er een verbeterd model
sprake, onder andere vanwege de nieuwerwetse mitrailleur. Veel later werden
deze uitvoeringen "Model
A" en "Model
B" genoemd. Hier wordt ook een derde "Model
C" geïntroduceerd.
|
|
Schematische tekeningen van de verschillende
modellen. (Tekeningen: Lex Tempelman) |
Enkele forten zijn van een geheel ander ontwerp doordat deze oorspronkelijk onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (zie Grens met de Nieuwe Hollandse Waterlinie) of de Posten van Krayenhoff waren en deze vallen buiten dit hoofdstuk. Fort bij Abcoude was ontworpen en gebouwd voordat de komst van de brisant granaat een experimenten op het Schietproefterrein Schoorl vereistten en tot een geheel ander fortmodel leidde. Het fort bestaat uit een bakstenen bomvrije kazerne en enkele remises en wachtgebouwen. Fort bij IJmuiden en Fort aan het Pampus werden als kustfort op uitzonderlijke locaties gebouwd van baksteen en beton met een uniek model .
Zowel dit Model A als het latere Model
B hebben dezelfde hoofdindeling: een hoofdgebouw en een frontgebouw welke verbonden zijn door een poternegebouw. Het frontgebouw heeft meestal zeven
lokalen voor de wachteenheid en munitieopslag. In één van de lokalen
is een scherfvrije uitkijkpost. In het hoofdgebouw waren de verblijfs-
en opslagruimten waarbij aan de keel twee keelkazematten zijn gebouwd voor het
groot flankement naar de naastgelegen forten en de verdediging van de keel met
mitrailleurs. Het poternegebouw diende als appélplaats en was de verbinding
tussen het hoofdgebouw en het frontgebouw met twee stalen deuren naar de beide
helften van het terreplein.
Een aarden wal vormde de frontwal en de beide korte zijfronten waarachter de
infanterie opgesteld kon worden. In de schouderhoeken van de wal waren de twee
hefkoepels gesitueerd voor het bestrijken van het terrein tot een afstand van
1000 meter.
|
|
| Het frontgebouw van het Fort
bij Vijfhuizen heeft maar liefst negen lokalen. Hier de rechter
keel met de toegangsdeuren tot vier lokalen. (Foto: René Ros, 2002) |
Het losstaande, goed bewaarde, rechter hefkoepelgebouw
van het Fort bij Nigtevecht. (Foto: René Ros, 2003) |
|
| Een schematische tekening van een Model A
fort - Plaats de cursor boven tekening voor verklarende termen. (Tekening: Lex Tempelman) |
Het oudste fort dat volgens dit model is gebouwd, is Fort bij Vijfhuizen. Echter, tijdens de bouw is besloten om het hefkoepelgebouw los te plaatsen en niet aan de uiteinden van het hoofdgebouw. Het wijkt dus sterk af van dit model maar het iets later gebouwde Fort bij Veldhuis lijkt beter op dit model.
Evenals het eerdere Model A heeft een Model
B fort een hoofdgebouw (verblijven), poternegebouw (appélplaats) en frontgebouw
(wachteenheid). Door gebruik van mitrailleurs, waarvoor drie mitrailleurblokken
in de frontwal werden aangelegd, kon de wachteenheid kleiner zijn. Het aantal
lokalen in het frontgebouw werd daardoor tot twee á drie lokalen teruggebracht
in plaats van de zeven in Model A. Het middenvoor geplaatste mitrailleurblok
was bereikbaar via een poterne vanaf het frontgebouw.
Het grootste verschil met een Model A fort is de plaatsing van de twee
hefkoepels. Deze werden iets dichter bij het hoofdgebouw geplaatst en met een
gang daarmee verbonden. De gang was ingericht als galerij met schietgaten naar
de keel en een mitrailleur-opstelling achter het zijfront.
Voor het eerst werd gewapend beton toegepast maar alleen in de hefkoepelgebouwen
en bij de uitkijkposten.
|
|
| Het aanzicht van de middelste mitrailleur-opstelling
van het Fort Waver-Amstel. (Foto: René Ros, 1999) |
De middelste mitrailleur-opstelling van het Fort
bij Spijkerboor met de deur naar de poterne. (Foto: René Ros, 1999) |
|
| Een schematische tekening van een Model B
fort - Plaats de cursor boven tekening
voor verklarende termen. (Tekening: Lex Tempelman) |
In Nederland kwam de electrificatie tussen 1910 en 1930 op gang en ook de Model B forten werden met een elektrische installatie uitgerust. Daardoor was het fort voorzien van moderne elektrische verlichting, ventilatoren en een elektrische waterpomp welke door een generator, uitgerust met een geluiddemper en waterkoeler, werden voorzien van 112 Volt. Naast deze nieuwerwetse apparaten werd de aloude olieverlichting in stand gehouden even als een handbediende zuigperspomp voor de watervoorziening. Daardoor zijn naast de nissen voor de elektriciteits schakelkasten ook nog lampnissen aanwezig. Bij de meeste forten is de installatie er uitgesloopt of vervangen maar het Fort Waver-Amstel bezit nog de best bewaarde componenten van de in 1912 aangelegde installatie.
|
|
| Een nis met een elektrische schakelkast in het Fort Waver-Amstel. (Foto: René Ros, 2002) |
In een magazijn van het Fort
Waver-Amstel is deze lamp nog te vinden. (Foto: René Ros, 2002) |
De meeste forten welke volgend dit model zijn gebouwd vertonen weinig verschillen maar er zijn enkele forten die er sterk vanaf wijken. Het Fort bij Edam en het Fort aan de Drecht hebben geen frontgebouw en hefkoepelgebouwen maar een pantserkazemat welke respectievelijk wel en niet via een poterne met het hoofdgebouw is verbonden. Het Fort bij Spijkerboor heeft twee verdiepingen en pantsergeschut. Het Fort Waver-Amstel is het laatst gebouwd volgens het Model B.
Kenmerkende verschillen tussen de modellen zijn vooral de omvang van het frontgebouw en de plaats van de hefkoepelgebouwen. Daardoor is een derde model te onderscheiden. Slechts twee forten zijn volgens dit derde model uitgevoerd en dat is waarschijnlijk de reden dat het nooit als apart model wordt onderscheiden.
Evenals het eerdere Model B heeft een Model
C fort een hoofdgebouw (verblijven), poternegebouw (appélplaats) maar
geen frontgebouw (wachteenheid). Vanwege de ligging van het fort en de noodzaak
van bezuinigingen werd dit model niet van een frontgebouw voorzien. In plaats
daarvan werd een enkel hefkoepelgebouw geplaatst die via een smallere poterne
toegankelijk is. Tegelijkertijd vervielen, ten opzicht van het Model B, de
twee hefkoepelgebouwen op de schouderhoeken van de korte zijfronten. Wel zijn
er aan beide zijden van het hoofdgebouw stormdeuren naar de terrepleinen. Maar
ook bij dit model werden vier mitrailleurblokken in de frontwal aangelegd.
Afwijkend
is dat de diepte van de lokalen en achterliggende opslagruimten in het hoofdgebouw
niet meer gelijk is. Er zijn in totaal drie verschillende dieptes te onderscheiden
waarbij de lokalen bij de poterne het diepst zijn en die aan de uiteinden het
ondiepst. Opvallend is ook dat er alleen lokalen tussen de keelkazematten zijn.
|
| Een schematische tekening van een Model C
fort - Plaats de cursor boven tekening
voor verklarende termen. (Tekening: Lex Tempelman) |
De enige twee forten die volgens dit model zijn gebouwd, zijn Fort aan de Middenweg en Fort aan de Jisperweg. De grens is echter niet scherp te trekken omdat eerdere forten die volgens Model B zijn gebouwd ook een of meer kenmerken van Model C hebben.