De Stelling

Proloog

Het Nederland van 1874 was dun bevolkt met 3-4 miljoen inwoners (in 1912 zes miljoen, 16 miljoen in 2001) en had eigenlijk net de Franse Tijd (1795-1813) achter de rug en Napoleon (1769-1821) weggewerkt. Thorbecke, de man achter de huidige grondwet, was twee jaar eerder overleden en Koning Willem III (reg. 1849-1890) moest nog wennen aan zijn ceremoniële rol. De industriële revolutie begon: elk jaar kwamen er zo'n 160 stoommachines in Nederland bij.
Een aantal grote meren rond Amsterdam waren inmiddels drooggelegd, zoals de Haarlemmermeer (1852) en het IJ (1872). Ook werd van 1865 tot en met 1876 het Noordzeekanaal gegraven. Het IJsselmeer was toen nog de zoute Zuiderzee (Afsluitdijk in 1932), vliegtuigen waren er nog niet (Gebroeders Wright vlogen in 1903), treinen reden op steenkool (1839-1958), plaatsen hadden nog hun eigen tijd (tot 1909) en het Internet liet nog een eeuw op zich wachten.

Stadsmuren

Anthoniespoort

De voormalige Sint-Anthoniespoort. Nu bekend naar de latere functie als waag.
(Foto: René Ros, 2008)
In de 15de-eeuw had Amsterdam een omwalling waarvan nog een aantal restanten aanwezig zijn. De Schreierstoren, de Waag (vm. Sint-Antoniespoort) en de Munttoren (restant Regulierspoort) zijn enkele van de overblijfselen van deze middeleeuwse stadsmuur.
Later werd de stad uitgebreid en werd tussen 1658 en 1662 een omwalling met 27 bolwerken aangelegd met de huidige Singelgracht als stadsgracht. Op de kaart zijn veel van deze bolwerken nog te zien, als golvingen in de loop van de Singelgracht. Tussen 1839 en 1848 werd Amsterdam als vesting opgeheven en ontmanteld.
In latere jaren zijn de bolwerken verdwenen omdat de Singelgracht tussen de bolwerken werd aangeplempt waarbij de Singelgracht recht getrokken werd. Zowel het gebouw van De Nederlandsche Bank als de Oranje Nassau-kazerne zijn op deze aangeplempte grond gebouwd.

Ad-hoc

Vestingsteden waren al als permanente werken aangelegd, maar verdedigingslinies werden aanvankelijk alleen aangelegd wanneer er een oorlog uitbrak. Het kon wel maanden duren voordat de vijandelijkheden daadwerkelijk begonnen.

De eerste keer dat een verdedigingslinie rond Amsterdam werd ingericht was in 1629 toen Graaf van den Berg, in een poging om Prins Frederik Hendrik van het beleg van 's Hertogenbosch af te leiden, richting Holland trok. Op zijn beurt werd de graaf zelf door een tegenaanval genoodzaakt uit Amersfoort, waar hij voor de Utrechtsche Linie - die toen al het tracé van de Nieuwe Hollandse Waterlinie volgde - stond. Amsterdam steunde de vestingen langs de IJssel en Zuiderzee maar trof ook dichterbij maatregelen door inundaties voor te bereiden. Deze bleken echter niet nodig.

Toen in 1672 de Fransen voor de (Oude) Hollandse Waterlinie stonden en deze in de Betuwe over de bevroren inundaties doorbraken, werden de inundaties ten zuiden van het IJ rond Amsterdam gesteld. Op de Zuiderzee kruisten oorlogsschepen om een aanval uit die richting te voorkomen.
De posten die de accessen moesten verdedigen lagen op ca. 1,5 tot 3 km van de stad. De stad Amsterdam was toen nog voorzien van een omwalling en poorten waaraan prompt enig herstel werd uitgevoerd. Wederom was de inspanning niet nodig omdat de dooi inviel en de Fransen zich terugtrokken.

De Pruisen vielen in 1787 het land binnen en Amsterdam, als zetel van de Patriotten, werd door inundaties en posten gedekt (zie Patriotten 1787). De inundaties hadden een grote overeenkomst met die van 1672. De posten op de accessen lagen nu echter op 3 tot 9 km afstand van de stadsomwalling. De Pruisen landden met boten via het acces Haarlemmermeer bij Sloten en Nieuwe Meer waarna ze de posten bij Halfweg en Amstelveen in de rug konden aanvallen. De werken waren niet aan de keel afgesloten en de gehele verdediging moest worden opgegeven.

Op 27 augustus 1799 landden de Engelsen en Russen op een strand van de Bataafse Republiek bij het Noord-Hollandse Julianadorp. Het was de eerste keer dat Amsterdam vanuit het noorden werd aangevallen.
Er werd een 26 km lange polderstelling ingericht, de "Linie van Noord-Holland", met een aparte linie door de duinen naar Wijk aan Zee. De polderstelling vormde de voorganger van het noordelijk deel van de Stelling.
De inundaties werden door 3.000 tot 4.000 manschappen bewaakt. De rest, 22.000 manschappen, was in de duinen opgesteld. De aanval van de Engelsen en Russen was zoals verwacht op de duin- en geestgronden gericht en kon met een gevecht bij Castricum worden afgeslagen waarna de verslagene zich terugtrok.

Vredestijd

Naar mate de oorlogsvoering sneller ging verlopen en het aanleggen van verdedigingswerken meer tijd ging kosten, moesten al in vredestijd voorbereidingen getroffen worden.

In het voorjaar van 1800 werd een nieuwe Engelse aanval gevreesd. Ter versterking van het front door de duinen werden ten noorden van Beverwijk drie rijen verschillende lunetten aangelegd met nog eens drie redouten nabij de Noordzee, 58 in totaal. De lunetten verstuifden en kostte veel onderhoud waarna verwaarlozing volgde. Deze linie werd later "Linie van Beverwijk" genoemd.

Restant Post van Krayenhoff

Een buitendijkse wal als restant van Post 11, de Kustbatterij bij Durgerdam.
(Foto: René Ros, 2002)

In 1805 vreesde de Bataafse Republiek wederom een nieuwe Engelse inval terwijl de eigen troepen elders onder Napoleon streden. Daarop werd in 1809 en 1810 een inundatiestelling aangelegd die tegenwoordig de naam "Posten van Krayenhoff" draagt.

In de eerste plannen voor de Stelling wilde men deze posten en inundaties verbeteren. Later werd besloten om een geheel nieuwe verdedigingsring op een grotere afstand van Amsterdam aan te leggen. Plannen om van de posten een tweede verdedigingslinie van de Stelling te maken zijn nooit uitgevoerd.

Modellen

Patriotten 1787 Posten van Krayenhoff 1810
Stelling van Amsterdam 1914

Vestingwet van 1874

Grenspaal

Het Koninkrijk der Nederlanden en zijn grenzen: de Nederlands-Belgische grens, paal 4 bij Vaals. Het jaartal op de paal is 1843, 30 jaar na het ontstaan van het Koninkrijk en 3 jaar na de afscheiding van België.
(Foto: René Ros, 1998)
Het leger en de regering wilden Amsterdam als 'nationaal reduit' gebruiken: het laatste bastion van de nationale verdediging dat lang te verdedigen zou zijn. Vreemd genoeg was dat goed voor het moreel in de voorliggende stellingen zoals de tussen 1816 en 1824 aangelegde Nieuwe Hollandse Waterlinie. Bovendien was een waterlinie relatief goedkoop omdat met weinig manschappen en kleine forten een groot gebied verdedigd kon worden en het Hollandse landschap leende zich er prima voor.
Hoewel Den Haag het regeringscentrum was, koos men toch voor de hoofdstad Amsterdam als het nationaal reduit. Dit vanwege het economische belang, grootte en functie op nationaal en internationaal niveau, maar ook vanwege de uitstekende mogelijkheden die het terrein bood voor een inundatielinie.

Vooral na de afscheiding van België wilde het kleine Nederland zich zo afzijdig mogelijk houden van de Europese politiek en de bijbehorende spanningen. Door het opzetten van een krijgsmacht wilde men deze neutraliteits politiek kracht bij zetten maar er werd juist bezuinigd. De Pruisische uitbreidingsdrift en de Franse interesse in België baarden Nederland zorgen.
De Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871 en het gebruik daarin van modern, krachtig geschut, veroorzaakte een bezorgdheid om de eigen zwakke verdediging. Dit leidde tot de Wet tot regeling en voltooiing van het vestingstelsel (Vestingwet) van 1874 waarin werd bepaald dat er een Stelling van Amsterdam zou komen. Ook werd vastgelegd dat een aantal andere verdedigingswerken verbeterd of nieuw gebouwd zou worden. Al vanaf 1800 waren er plannen gesmeed maar de Frans-Duitse oorlog leidde pas tot serieuze regeringsvoorstellen. De plannen die genoemd werden in de Vestingwet zouden binnen acht jaar, dus voor 1883, gereed moeten zijn.
Duitsland werd rond 1880 als grootste bedreiging gezien omdat het Duitse leger in vredessterkte het Nederlandse leger op oorlogssterkte zou kunnen verslaan. De Duitse garnizoenen lagen dicht bij de grens en konden de Nederlandse mobilisatie verhinderen. In de oorlogsplannen van de grootmachten Frankrijk en Engeland kwam Nederland helemaal niet voor...

Pas in april 1896 werd, zeven jaar na het eerste voorstel, de Inundatiewet van kracht. Hierin werd het stellen van inundaties, de beschadiging van particuliere eigendommen en de schadevergoeding daarvan wettelijk geregeld.

Staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden
Periode Naam Leven
1813 1840 Koning Willem I (Willem Frederik) 1772 1843
1840 1849 Koning Willem II 1792 1849
1849 1890 Koning Willem III 1817 1890
1890 1898 Koningin Emma
(regentes Prinses Wilhelmina)
1858 1934
1898 1948 Koningin Wilhelmina 1880 1962
1948 1980 Koningin Juliana 1909 2004
1980 - Koningin Beatrix 1938 -

Plannen

De aanleg van de Stelling vond niet zonder discussie plaats. Voor, tijdens en na de bouw waren er personen die vonden dat forten en vestingen (de dode weermiddelen) ouderwets waren en het geld besteed moest worden aan de soldaten in een Veldleger (de levende weermiddelen). Door de regering en het parlement werd echter voor beide gekozen.

Er waren verschillende voorstellen voor de aanleg van de Stelling van Amsterdam. Elk voorstel met een eigen variatie op afstand tot de stad, aansluiting op de Nieuwe Hollandse Waterlinie (Weesp, Nieuwersluis), aantal en soort forten of helemaal geen forten enzovoort. Maar ook of de kustverdediging erbij betrokken moest worden en welke taak de Koninklijke Marine zou moeten krijgen. De Zuiderzee was vanaf het begin één van de zwakke punten maar met twee kustbatterijen en de Marine werd een fort op de zandbank Pampus overbodig geacht. Bovendien zou de inpoldering van de Zuiderzee toch snel een feit zijn, dachten sommigen.
Er zijn ook vele ontwerpen gemaakt welke nog sterk leken op de oudere forten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie: met bastions, een lunet etc. Een ontwerp uit 1879 voor flankerende koepelbatterijen bij Kruisdorp (het huidige Hoofddorp) en Uitgeest voorzag in een fort met een lunet omringd door een gracht, voorzien van een bakstenen kazerne met daarin een pantserkoepel.

De proviandering en de zelfvoorziening van de Stelling was vanaf het begin een probleem. Als compromis tussen de Haarlemmermeerpolder geheel of niet inunderen (afstand tot de stad versus landbouwgronden) besloot men later het half-om-half te doen. In het noorden bestond een soortgelijk probleem met de Beemster-polder.
Ook vanwege het behoud van landbouwgrond waren er verschillende voorstellen voor permanente vleugeluitbreidingen naar zee. De voorstellen variëerden in de afstand waarop ten noorden en ten zuiden van het Noordzeekanaal een reeks van forten tussen de kust en de kringstelling zou worden aangelegd.
Daardoor zou niet onmiddelijk voor de isolatie in de kringstelling gekozen worden, wat ten goede kon komen van het moreel en de voedselvoorziening, werd het duingebied behouden voor onder andere offensieve akties en het behoud van de sluizen, haven en het Fort bij IJmuiden. Strategisch gezien kon een vijandige landing op de kust de forten wel in de rug aanvallen maar een landing werd ook onwaarschijnlijker en het zwakke Westfront zou dan als tweede linie fungeren. De kosten voor de forten waren wel een groot nadeel evenals het grotere aantal manschappen dat nodig was. In 1893 werd voorgesteld om eerst de kringstelling te bouwen en pas daarna aan de vleugeluitbreiding te werken.


De plannen besloegen verschillende regeringsperiodes en de verschillende ministers van Oorlog hadden hun eigen mening en eigen budget. Het was geen goedkoop plan, zelfs de goedkoopste niet, maar er moest wel voldoende besteed worden om een beleg van een half jaar met een miljoen mensen mogelijk te maken. In ieder geval kon er een begin gemaakt worden met de bouw.